· Map
University of Groningen Press

La città analoga: the map / de kaart (Tweede herziene editie)

Aldo Rossi, Eraldo Consolascio, Bruno Reichlin, Fabio Reinhart. Ed. Dario Rodighiero, Ton Quik

Weinig expositiepanelen hebben zoveel invloed gehad als La città analoga (De analoge stad) op de Biënnale van Venetië van 1976. Samen met Eraldo Consolascio, Bruno Reichlin en Fabio Reinhart had Aldo Rossi een visie gepresenteerd op het ontwerpen van steden die creatief omgaat met de historische rijkdom van de architectuur. Het toont de vitaliteit van de architectuur die verbinding zoekt tussen werkelijkheid en fantasie als alternatief voor de smalle functionele denkwijze. Deze uitgave, met een reproductie van het oorspronkelijke paneel, een lijst van referenties en teksten van Rossi, Reinhart en Rodighiero, verschijnt bij de expositie Darling Architecture in Bonnefanten, waar La città analoga een prominente plaats heeft.

Dario Rodighiero’s zorgvuldige archeologie brengt Rossi’s collage terug naar haar bronnen en bouwt haar opnieuw op als een analogische machine, waarmee hij het archief van representaties opent voor een nieuw digitaal gemeengoed.

— Cameron McEwan, hoofd Architectuur aan Northumbria University

De Fondazione Aldo Rossi verwelkomt deze uitgave, die een baanbrekend werk uit de architectuurtheorie toegankelijk maakt voor een groot publiek, ter gelegenheid van de tentoonstelling die Rossi eert in het Bonnefanten in Maastricht, een van de meesterwerken van de architect.

— Vera Rossi, voorzitter van de Fondazione Aldo Rossi

Een andere vorm van de stad om te bezoeken

Dario Rodighiero. Vertaald door Ton Quik.

In 1976 toonden Aldo Rossi en zijn vrienden een groot paneel dat zij La città analoga (De analoge stad) noemden — een collage van projecten, gebouwen en referenties als voorstel om anders naar de stad te kijken (Rossi 1976). Deze kaart is een interpretatie van dat paneel. Zoals Fabio Reinhart (2015) schrijft, is voortleven veranderd worden en toch dezelfde blijven. Dus wordt de collage een vouwbare kaart, een andere vorm van de stad om te bezoeken. Elk fragment bevat een verwijzing die ontleend is aan boeken, bibliotheken en archieven en in de loop van de tijd neerslaat in gesprekken. Een werk als dit is nooit statisch; het wordt weer een heden door de keuzen van hen die het archiveren, beheren en lezen (Rodighiero et al. 2026). De eerste uitgave van de kaart (2015) markeerde de veertigste verjaardag van De analoge stad; de tweede — die u in handen heeft — viert de dertigste van Bonnefanten, het museum dat Rossi zelf ontwierp. Vandaag de dag vraagt de kaart niet om instructies — pak haar op, loop en laat de stad betekenen wat u er vindt.

Onderschriften bij de Analoge stad

Fabio Reinhart, 2015. Vertaald door Ton Quik.

Hier volgen enkele aantekeningen om de bezoeker wegwijs te maken. De woorden en diagrammen schetsen de belangrijkste compositorische keuzes van de auteurs.

Steden materializeren de veelzijdige, uiteenlopende en veranderlijke levens — individueel én collectief — van generaties bewoners; ze bieden ruimte aan hun behoeften, verlangens en kennis… Dromen, angsten, hoop en nog veel meer: kortom, alles. Bovendien registreren ze de grillen van het lot, die verheffen en vernietigen met de onverantwoorde lichtheid van onverschilligheid. Complexiteit is inherent aan de stad.

Reinharts schema van de compositie: links de huiselijke ruimte van de bewoner met gloeilamp en raam, in het midden de machine van tandwielen, tandheugels en vliegwielen.

Dit eerste onderscheidende kenmerk van onzegbare omvang wordt meteen aangeduid door een heterogeen, veelzijdig en tegenstrijdig geheel. Heterogeen zijn de voorstellingen, vormen en schalen, veelzijdig de compositorische lijnen, richtingen, centra, symmetrieën en verdwijnpunten. De ordenende principes zijn tegenstrijdig en conflicterend. De aanhef is theatraal en barok.

Reinharts diagram van de radiale plattegrond van de Analoge stad.

Een mysterieuze figuur — een engel? De jeugd? Schoonheid? Een bode, in de ogen van de makers — begroet elke bezoeker, zoekt oogcontact en wijst met uitgestrekte arm en vinger naar het midden van de compositie, door de tandheugels, tandwielen, pinnen en vliegwielen van een niet te stuiten machine.

De principes van de Gestaltpsychologie moesten de indruk van een perpetuum mobile wekken; daarop vertrouwden de makers. Ook hoopten ze dat mensen die het werk van Jean Tinguely kennen aangespoord worden om de machine te horen krijsen, hijgen en kreunen.

De compositie van het paneel is ruimtelijk.

Reinharts diagram van de ruimtelijke opbouw van het paneel: de x-, y- en z-as onderscheiden het verticale vlak van plattegrond en stadsbeeld van het horizontale vlak van het water.

In het verticale (xz) vlak worden het stadsplan en een deel van het stadsbeeld weergegeven. Erachter ligt — impliciet — de onbekende, donkere leegte van de ruimte waaruit de boodschapper tevoorschijn komt. Op de voorgrond is samengebracht wat aan de stad voorafgaat: het terrein en de mens, de mix van rede en emotie.

Uit het horizontale (xy) vlak, dat overeenkomt met het wateroppervlak, komen de contouren van het land tevoorschijn. Daaronder verzinken — impliciet — het diepe rijk van de geologische tijd en de vergeten of verloren geschiedenis, gesuggereerd door de ondergedompelde stad. Vanaf de voorrand strekt het eerste vlak zich uit — een kenmerkend element van het vergezicht.

Reinharts diagram dat de objecten van genegenheid isoleert, verzameld op een sokkel rechtsonder in de compositie.

Ze bestaat uit de rationaliteit van regelmatige veelvlakken die nodig is om de ruimte te ordenen, de orde van de architectuur, kompaan van rede en emotie, en ten slotte de objecten van genegenheid, de tabernakels van gevoelens.

Het vergezicht toont het primaire, directe beeld van de stad in relatie tot de omgeving.

Reinharts diagram van het vergezicht, de stad in relatie tot haar omgeving.

Men bereikt de Analoge stad vanaf het water, zogezegd ‘vanaf de zee’, overal vandaan. De toegang verloopt via de nieuwe stadspoort, een voorbeeld van analogie en een sleutel tot het doorgronden van de compositie.

Een tweede ingang leidt rechtstreeks het plan binnen.

Reinharts diagram met de letters van de over elkaar gelegde delen van het plan — de reële stad (B), de stad van de herinnering (C), de ideale stad (D) — en de verborgen toegang tot Castel Grande (A).

Deze is verborgen en geheim — net als toen we hoopten om het restauratieproject voor Castel Grande in Bellinzona (A) te realiseren. Een luchtig raamwerk langs en door de gelaagde verdedigingsmuren, en een lichte wenteltrap, hangend boven de restanten van de hoektoren, zou de toegang tot de weergangen en de toren hebben hersteld zonder toevlucht te nemen tot reconstructie. Ze zou de menselijke voorlopigheid en de kwetsbaarheid van bouwwerken hebben afgezet tegen de permanentie van diepgewortelde historische imperatieven; ze zou de emoties die worden opgeroepen door duizelingwekkende ruimtelijke en temporele afstanden hebben samengesmolten tot één enkele ervaring.

Raamwerk en wenteltrap zouden een goede leidraad zijn geweest voor de bezoeker die de geest wil vatten van de stad die hij gaat verkennen — om te begrijpen hoe een stad zich kan transformeren en toch haar karakter kan behouden en de herinnering aan zichzelf bewaren.

Het plan brengt drie delen samen die elkaar overlappen en doorsnijden op de wijze die Magritte toepaste bij het schilderij Le Blanc-seing uit 1965: de reële stad (B), de stad van de herinnering (C) en de ideale stad (D).

Om de werkelijkheid te weerspiegelen, werden de vele specifieke ingrepen in het plan toevertrouwd aan individuele auteurs.

Over de reële stad heen gelegd — binnen een huiselijke ruimte die wordt gesuggereerd door twee lijnen en een gloeilamp — beschouwt een bewoner-toeschouwer (Aldo Rossi als dichter, volgens Ton Quik) vanuit een raam een afgrondelijk historisch vergezicht, diep in het mythologische hart van de westerse stad.

De analoge stad; paneel

Aldo Rossi, 1976. Vertaald door Ton Quik. Oorspronkelijk gepubliceerd in Lotus International, no. 13 (December).

[…] Op de laatste Biënnale van Venetië heb ik een groot paneel getoond met de titel La città analoga (De analoge stad), een gezamenlijk werk met mijn vrienden Eraldo Consolascio, Bruno Reichlin en Fabio Reinhart.

Dat werk is geen verklaring van de analoge stad, aangezien wij niet geloven dat er verklaringen bestaan. Bovendien is elk werk en elk object op zichzelf staand en leidt het een eigen leven.

Het lijkt mij echter duidelijk dat het paneel op nogal plastische wijze het beeld oproept van de andere betekenis die verschillende projecten door een relatief willekeurige montage aannemen. Om elk mechanisch of mechanistisch karakter aan deze constructie te ontnemen, hebben de ontwerpers — min of meer automatisch — elementen, objecten en herinneringen toegevoegd, in een poging om een dimensie van de omgeving en de herinnering tot uitdrukking te brengen.

Ik had iets dergelijks voor ogen toen ik de film Ornamento e Delitto (Ornament en Misdaad) maakte voor de Triënnale van Milaan. Ik heb steeds sterker het gevoel dat technieken of disciplines — eenmaal vastgelegd — de neiging hebben zich te herschikken, waardoor de tijd van een film een belangrijker element wordt dan een strikt architectonisch element. Omgekeerd herontdekte ik in de laatste grote film die ik zag, Andrej Roebljov, een belangstelling voor architectuur op zich, waarvan ik dacht dat ik die allang verloren was.

Vanzelfsprekend zijn in het paneel diverse aspecten van de herinnering aangegeven: een herinnering aan een bepaald gebied — of beter gezegd aan een vaderland (Noord-Lombardije, het Lago Maggiore en Ticino) met de bijbehorende tekens en symbolen. Geschiedenis en geografie versmelten in de schilderkunst van Tanzio da Varallo en in de stenen huizen; daarbinnen krijgen de projecten hun plek en ordening. Het lijdt geen twijfel dat er persoonlijk leven door deze plekken stroomt en betekenis geeft aan de architectuur; wellicht huist alleen daarin de menselijkheid van de architectuur.

De schaal van een plaats en van een land is een centraal gegeven in de studie van steden en architectuur; dit verschuift tevens de problematiek rond de obstakels bij bescherming en restauratie — alsof de verdediging van een stad of plaats een zaak voor de politie zou zijn. De kwestie moet in een veel complexer licht worden bezien. Met andere woorden: ik vind het tegenwoordig erg lastig om me een voorstelling te maken van de verdediging, of liever gezegd het ontwerp van een stad in de Povlakte of in Centraal-Zwitserland. Volgens mij draait het erom de betekenis van de cultuur van de Povlakte en het bijbehorende beeld te doorgronden, evenals het daarmee contrasterende gotische beeld.

Maar waarom wilde ik aan het begin van dit artikel het thema van de ‘analoge stad’ in verband brengen met de concrete, politieke realiteit van onze situatie? Omdat ik geloof dat de technicus en/of kunstenaar alternatieven moet aandragen voor de stedelijke groei, zodat deze alternatieven besproken en begrepen kunnen worden — en vervolgens aanvaard of verworpen — door de mensen die in die steden wonen. Voorbij is de tijd van stedelijke modellen, en daarmee ook het tijdperk van stedelijke technieken, zelfbeschrijvingen en functies die als oplossingen werden gepresenteerd.

De stad moet telkens opnieuw worden aangepakt door haar tegenstrijdigheden — dag na dag en op directe wijze — bijeen te brengen en te ontwikkelen. De veelbesproken Piani Regolatori (bestemmingsplannen) zouden lachwekkend zijn als de gevolgen ervan niet zo tragisch waren: ze zijn steevast een mislukking, worden nooit uitgevoerd en lijken gedoemd tot een soort boetedoening via een bestemmingsregeling die in de praktijk nooit serieus is toegepast.

Hetzelfde geldt voor de tegenstelling tussen het historische centrum en de buitenwijken, zoals die tegenwoordig als een vaststaand dogma wordt beschouwd. Het hedendaagse stadsbeeld wordt gevormd door een samenspel van oude en nieuwe elementen; de grote stedelijke buitenwijken maken deel uit van de stadsgeschiedenis en vormen het meest authentieke gezicht van de stad. Het concept van de ‘stad als samenstel van delen’ is zeker geen academische definitie; het weerspiegelt de levenswijze van de stad, haar geleding en haar uiterlijke verschijningsvorm. Daarom zou het een uitstekende zaak zijn als er een nieuw stedenbouwkundig systeem kon worden ingevoerd via wijkraden en lokale comités — groepen die strijden voor een specifieke woning of kleuterschool, voor een welbepaald stuk grond dat de stad vormt.

Concrete kansen kunnen dienen als aanknopingspunt voor een andere oplossing; aan de hand van zo’n concrete kans kunnen verschillende oplossingen worden getoetst en uitgewerkt. Juist omdat ik niet geloof dat er een esthetisch en functioneel model voor nieuwe steden kan worden aangedragen, vind ik het belangrijk om hypothesen te formuleren: de moderne architectuur — of de moderne stad, wat in feite op hetzelfde neerkomt — bestaat niet als categorie. Wat wel bestaat, zijn de vraagstukken aan de hand waarvan we vergelijkingen kunnen maken.

Op dit punt ben ik van mening dat de kwestie van de geschiedenis — opgevat als onderwerp van de architectuur en niet als een esthetiserende uitweiding — noch een academisch, noch een paranoïde vraagstuk is. De schoonheid van de Prato della Valle in Padua begrijpen, betekent oog hebben voor een specifiek moment in de geschiedenis van Venetië: de wederzijdse doordringing van stad en platteland die leidde tot bijzondere associaties. Monumenten ook zien als onderdelen van de stad — als sedimentaties van materiaal die getransformeerd, aangepast en opnieuw ingericht kunnen worden voor een nieuw leven — is geen cultureel avontuur, maar een grootschalig project voor de belangrijkste Europese naties. Dit is tot op zekere hoogte en vaak op catastrofale wijze gebeurd tijdens het napoleontische tijdperk en na de eenwording van Italië; maar ongeacht de manier waarop het werd uitgevoerd, was het een vooruitstrevend feit.

Vandaag de dag kan en moet deze analyse ook op de stadsranden worden toegepast. Er zijn fabrieken, boerderijen en voorsteden die hun gebruik niet louter zien in een simpel hergebruik, maar via een project.

Tot slot wil ik terug naar mijn aanvankelijke argumenten, ook omdat ik vanuit die gedachten sprak over de ‘analoge stad’. Het lijkt mij namelijk van belang dat werkelijkheid en verbeelding de twee polen vormen van een beschaafde vooruitgang — of althans van een verbetering — van de stad. Het ging mij er niet om de analoge stad voor te stellen alsof deze gereduceerd was (of kon worden) tot een getekend paneel, ook al zou ik daarover net zo kunnen uitweiden als over mijn andere projecten. Waar het mij om gaat, is het opnieuw benadrukken van de vrijheid in ons handelen; een vrijheid die vele malen groter is wanneer zij gevoed wordt door concrete waarheid of daaruit creativiteit put. Het is volgens mij van groot belang om vandaag de dag zowel de eigen projecten als die van anderen te toetsen aan één overkoepelend hoofdproject. Het wooncomplex in de wijk Gallaratese in Milaan [gebouwd in 1969–1970, red.] wordt in mijn ogen verrijkt door de aanwezigheid van de architectuur van Carlo Aymonino, of door de wisselwerking daarmee. Ik beschouw dit niet louter als een persoonlijke indruk, maar als een objectief feit. Het is opnieuw een voorbeeld — bijna onverwacht in zijn formele contrast — van het belang van associaties of analogieën.

Door deze weg in te slaan kan ook de architectuur een toekomstvisie ontwikkelen en deze stellen tegenover hen die de toekomst vrezen; bijvoorbeeld door — althans in onze hoop — de deels gewijzigde of verbeterde omstandigheden te aanvaarden als basis om ontwikkelingen voor te stellen en te versnellen.

Tussen verleden en heden, werkelijkheid en verbeelding, is de analoge stad wellicht simpelweg de stad die we dag na dag moeten ontwerpen, waarbij we problemen aanpakken en overwinnen, in de redelijke zekerheid dat het uiteindelijk beter zal gaan.

De elementen van de collage

Het paneel is opgebouwd uit platen, geknipt uit de boeken die de makers bij de hand hadden — archeologische overzichtswerken, de architectuurgeschiedenissen van Electa, de tijdschriften waarin hun eigen projecten net waren verschenen. Het onderzoek achter deze editie bracht elk fragment terug naar de bladzijde waaruit het kwam. De vierenveertig elementen hieronder zijn geordend naar de datum van het werk zelf, van het Paleis van Minos tot een Ticinees dorp dat in 1979 werd opgemeten, en elk is op het blad te vinden via de kolomletter (A–O) en het rijnummer (1–15) in de marge.

Figuur 1. De voorzijde van de kaart. Elk element hieronder is te vinden via de kolomletter en het rijnummer in de marge van het blad.
Figuur 1. De voorzijde van de kaart. Elk element hieronder is te vinden via de kolomletter en het rijnummer in de marge van het blad.
Cel Referentie Element
[C–D, 5–6] Paleis van Minos
Knossos, 16de–15de eeuw v.Chr.
Lloyd, Seton. 1972. Architettura mediterranea preromana. Milano: Electa, 200.
Plattegrond van het Paleis van Minos te Knossos
[C, 2] Bouleuterion
Milet, 2de eeuw v.Chr.
Lloyd, Seton. 1972. Architettura mediterranea preromana. Milano: Electa, 375.
Plattegrond van het bouleuterion te Milet
[L–M, 9] Mausoleum van Constantina
Roma, 4de eeuw n.Chr.
Ward-Perkins, John B. 1974. Architettura romana. Milano: Electa, 306.
Plattegrond en doorsnede van het Mausoleum van Constantina te Rome
[K, 6] Kathedraal van York, Kapittelhuis
York, 1230–1472
Grodecki, Louis. 1975. Architettura gotica. Milano: Electa, 229.
Plattegrond en opstand van het kapittelhuis van de kathedraal van York
[J–K, 1] Hüdavendigar Moskee
Bursa, 14de eeuw n.Chr.
Hoag, John D. 1975. Architettura islamica. Milano: Electa, 308.
Plattegrond van de Hüdavendigar Moskee te Bursa
[D–E, 2] Complex van Sultan Bayezid II
Edirne, 1488
Hoag, John D. 1975. Architettura islamica. Milano: Electa, 325.
Plattegrond van het complex van Sultan Bayezid II te Edirne
[A, 4] Tempietto van San Pietro in Montorio
Donato Bramante. Roma, 1502
Murray, Peter. 1971. Architettura del rinascimento. Milano: Electa, 142.
Plattegrond en opstand van Bramantes Tempietto bij San Pietro in Montorio
[A–B, 6] Laurentijnse Bibliotheek
Michelangelo. Firenze, 1525–1571
Murray, Peter. 1971. Architettura del rinascimento. Milano: Electa, 198.
Lengtedoorsnede van Michelangelo’s Laurentijnse Bibliotheek te Florence
[I–O, 3–11] De Ideale Stad van Vitruvius
Giovanni Battista Caporali. 1536
Caporali, Giovanni Battista, Marcus Vitruvius Pollio. 1536. De architectura. Perugia: Bigazzini, 92.
Caporali’s houtsnede van de ideale stad van Vitruvius, een radiale plattegrond binnen een windroos
[B–C, 3–4] Palazzo Thiene
Andrea Palladio. Vicenza, 1542
Palladio, Andrea. 1570. I quattro libri dell’architettura. Venetia: Dominico de’ Franceschi, vol. 2, 13.
Plattegrond van Palladio’s Palazzo Thiene te Vicenza
[H, 9] Plejaden
Galileo Galilei. 1610
Galilei, Galileo. 1610. Sidereus nuncius. Venetiis: Thomam Baglionum, 41.
Galilei’s gravure van de Plejaden uit de Sidereus nuncius
[L–O, 1–5] David en Goliath
Tanzio da Varallo. ca 1625
Valsecchi, Marco, Anna Patrizia Valerio. 1973. Il Seicento lombardo. Catalogo dei dipinti e delle sculture, vol. 2. Milano: Electa, tav. 175.
Tanzio da Varallo’s schilderij van David boven het hoofd van Goliath
[C, 7] San Carlo alle Quattro Fontane
Francesco Borromini. Roma, 1638–1641
Norberg-Schulz, Christian. 1971. Architettura barocca. Milano: Electa, 162.
Plattegrond van Borromini’s San Carlo alle Quattro Fontane te Rome
[E, 1] Paulanerklooster
Nová Paka, 1654–1732
Norberg-Schulz, Christian. 1972. Architettura tardobarocca. Milano: Electa, 108.
Plattegrond van het Paulanerklooster te Nová Paka
[K, 9] Spaanse trappen
Francesco de Sanctis, Alessandro Specchi. Roma, 1725
Norberg-Schulz, Christian. 1972. Architettura tardobarocca. Milano: Electa, 25.
Plattegrond van de Spaanse trappen te Rome
[J–K, 9] Frauenkirche
George Bähr. Dresden, 1726–1743
Norberg-Schulz, Christian. 1972. Architettura tardobarocca. Milano: Electa, 196.
Plattegrond en doorsnede van Bährs Frauenkirche te Dresden
[K–N, 12–15] Figuren van geometrische beginselen
Augustin-Charles d’Aviler. 1738
d’Aviler, Augustin-Charles. 1738. Cours d’architecture. Paris: Jean Mariette, 56, pl. †.
Gegraveerde plaat met regelmatige veelvlakken en geometrische figuren uit d’Avilers Cours d’architecture
[G–N, 2–4] Plattegrond van de Campus Martius
Giovanni Battista Piranesi. 1746–1778
Piranesi, Giambattista. 1913. Oeuvres choisies. Paris: Vincent, pls. 2–3.
Piranesi’s gegraveerde plattegrond van de Campus Martius te Rome
[F–H, 10–11] Imaginaire kerkers V
Giovanni Battista Piranesi. 1746–1778
Piranesi, Giambattista. 1913. Oeuvres choisies. Paris: Vincent, pl. 79.
Plaat V uit Piranesi’s Imaginaire kerkers
[M–O, 12–15] Dorische kolommen
Andrea Palladio. 1786
Palladio, Andrea, Ottavio Bertotti Scamozzi. 1786. Le fabbriche e i disegni di Andrea Palladio. Vicenza: Giovanni Rossi, 163.
Gegraveerde plaat van een Dorische orde, hoofdgestel en kolombasis
[G–I, 8–10] Project voor een monument-barak op de Mont Cenis
Giuseppe Pistocchi. 1813
Pistocchi, Giuseppe, Ezio Godoli. 1974. Giuseppe Pistocchi (1744–1814) architetto giacobino. Faenza: Comune di Faenza, 57.
Pistocchi’s opstand van een monument-barak op de Mont Cenis
[A–F, 9–15] Dufourkaart, Ticino
Guillaume Henri Dufour. 1864
Topographische Karte der Schweiz. 1845–1865. Genève: Eidgenössisches Topographisches Bureau.
Reliëfweergave van de Ticinese dalen op de Dufourkaart Een tweede blad van de Dufourkaart van Ticino
[—] Huis Croci
Antonio Croci. Mendrisio, ca 1875
Reinhart, Fabio, Francesco Saverio Fera, Luca Conti. 2007. Fabio Reinhart: architettura della coerenza. Bologna: Clueb, 18.
Driehoekige plattegrond van het huis Croci te Mendrisio, rond een zeshoekige binnenplaats
[D–E, 2–3] Project voor Danteum
Giuseppe Terragni. 1934
Mantero, Enrico. 1969. Giuseppe Terragni e la città del razionalismo italiano. Bari: Dedalo libri, 22.
Plattegrond van Terragni’s project voor het Danteum te Rome
[F, 1] Notre-Dame du Haut
Le Corbusier. Ronchamp, 1954
Boesiger, Willy, Hans Girsberger. 1967. Le Corbusier 1910–65. Zürich: Éditions d’Architecture (Artemis), 258.
Plattegrond van Le Corbusiers kapel Notre-Dame du Haut te Ronchamp
[A–M, 1–7] Plattegrond van Como
Gianfranco Caniggia. 1963
Caniggia, Gianfranco. 1963. Lettura di una città: Como. Roma: Centro studi di storia urbanistica.
Caniggia’s plattegrond van het historische centrum van Como, met de bebouwing in zwart
[G–H, 3–8] Stadhuisplein en Partizanenmonument
Aldo Rossi. Segrate, 1965
Controspazio. 1970. No. 10: 30.
Plattegrond en opstand van Rossi’s stadhuisplein en partizanenmonument te Segrate
[E–I, 1–6] Project voor wooneenheid San Rocco in Monza
Giorgio Grassi, Aldo Rossi. 1966
Savi, Vittorio. 1976. L’architettura di Aldo Rossi. Milano: Franco Angeli, 71.
Plattegrond van de wooneenheid San Rocco te Monza, van Grassi en Rossi
[H, 9] Project voor het plein in Sannazzaro de’ Burgondi
Aldo Rossi. 1967
Controspazio. 1970. No. 10: 34.
Rossi’s project voor het plein in Sannazzaro de’ Burgondi
[A–B, 8–9] Project voor het stadhuis in Scandicci
Aldo Rossi met Massimo Fortis, Massimo Scolari. 1968
Controspazio. 1970. No. 10: 35.
Plattegrond van Rossi’s project voor het stadhuis te Scandicci
[B–G, 8–9] Woonblok Monte Amiata
Aldo Rossi. Gallaratese, Milano, 1969–1970
Controspazio. 1970. No. 10: 40.
Opstand van Rossi’s woonblok Monte Amiata in de wijk Gallaratese te Milaan
[N, 10–11] Strandhutten in Elba
Aldo Rossi. 1970
Savi, Vittorio. 1976. L’architettura di Aldo Rossi. Milano: Franco Angeli, 49.
Rossi’s tekening van een rij strandhutten op Elba
[I–O, 3–9] Kerkhof San Cataldo
Aldo Rossi, Gianni Braghieri. Modena, 1971
Savi, Vittorio. 1976. L’architettura di Aldo Rossi. Milano: Franco Angeli, 205.
Plattegrond van het kerkhof San Cataldo te Modena Opstand van het kerkhof San Cataldo Een tweede opstand van het kerkhof San Cataldo
[L, 2] Huis Tonini
Bruno Reichlin, Fabio Reinhart. Torricella, 1972–1974
Reinhart, Fabio, Francesco Saverio Fera, Luca Conti. 2007. Fabio Reinhart: architettura della coerenza. Bologna: Clueb, 112.
Plattegrond van het huis Tonini te Torricella, van Reichlin en Reinhart
[A–C, 1] Eengezinswoningen
Aldo Rossi, Gianni Braghieri. Broni, 1973
2c: Construcción de la ciudad. 1975. No. 2 (April): 26–27.
Opstand van de eengezinswoningen te Broni, van Rossi en Braghieri
[I–L, 10–11] Project voor villa en paviljoen in Borgo Ticino
Aldo Rossi, Gianni Braghieri. 1973
2c: Construcción de la ciudad. 1975. No. 2 (April): 20–21.
Opstand van de villa en het paviljoen te Borgo Ticino
[C–E, 1–8] Gesloten ruimte, interieur
Aldo Rossi. 1974
Savi, Vittorio. 1976. L’architettura di Aldo Rossi. Milano: Franco Angeli, 149.
Rossi’s tekening van een gesloten binnenruimte
[A–C, 8–9] Project voor Castel Grande in Bellinzona
Bruno Reichlin, Fabio Reinhart. 1974
Gregotti, Vittorio, Bruno Reichlin, Fabio Reinhart, Aldo Rossi. 1977. Casabella. No. 430 (November): 50–59.
Situatieplan van het restauratieproject voor Castel Grande te Bellinzona, met de muren die langs de heuvel aflopen
[D–I, 10–12] Project voor Castel Grande in Bellinzona
Aldo Rossi met Gianni Braghieri, Bruno Reichlin, Fabio Reinhart. 1974
2c: Construcción de la ciudad. 1975. No. 5 (October): 23.
Opstand van de gekanteelde muren en de poort van Castel Grande te Bellinzona
[I–L, 11–12] Project voor het regionaal bestuurscentrum in Trieste
Aldo Rossi met Max Bosshard, Gianni Braghieri. 1974
2c: Construcción de la ciudad. 1975. No. 2 (April): 30.
Opstand van het project voor het regionaal bestuurscentrum in Trieste
[A–D, 12–15] Brontallo gelijkvloers
Max Bosshard, Eraldo Consolascio, Orlando Pampuri. 1974
Rossi, Aldo, Eraldo Consolascio, Max Bosshard. 1979. La costruzione del territorio nel Cantone Ticino. Lugano: Fondazione Ticino Nostro, 666–668.
Plattegrond van de begane grond van het dorp Brontallo
[N–O, 9–11] Koffiepot
Aldo Rossi. 1975
2c: Construcción de la ciudad. 1975. No. 2 (April): 11.
Rossi’s tekening van een koffiepot voor op het fornuis
[F, 9] Project voor een huis te Vezio
Bruno Reichlin, Fabio Reinhart. 1975
Reinhart, Fabio, Francesco Saverio Fera, Luca Conti. 2007. Fabio Reinhart: architettura della coerenza. Bologna: Clueb, 120.
Opstand van het huis te Vezio, van Reichlin en Reinhart
[C–F, 9–10] Corippo opstand
Luigi Snozzi en Henk Block. 1979
Rossi, Aldo, Eraldo Consolascio, Max Bosshard. 1979. La costruzione del territorio nel Cantone Ticino. Lugano: Fondazione Ticino Nostro, 688.
Opstand van het dorp Corippo dat tegen de helling oploopt
Tabel 1. De vierenveertig referenties die binnen de collage zijn geïdentificeerd, geordend naar de datum van het werk en gekoppeld aan het raster van de kaart.

Referenties

  • Reinhart, Fabio. 2015. “From Picture Panel to City-Map.” In The Analogous City, the Map, edited by Dario Rodighiero. Lausanne: EPFL Archizoom.
  • Rodighiero, Dario, ed. 2015. The Analogous City, the Map. Lausanne: EPFL Archizoom.
  • Rodighiero, Dario, Carla Zhara Buda, and Angela Parente. 2026. “Archives, Museums, and Installations: Aldo Rossi’s Legacy in Digital Transition.” Preservation, Digital Technology & Culture 55 (1): 45–53.
  • Rossi, Aldo. 1976. “La città analoga: tavola.” Lotus International, no. 13 (December): 4–9.